Dit weekend spenderen we in Mbour. Een stad aan de zee op anderhalf uur rijden van ons project. We logeren in een zalig gezellig hotelletje. Het hotel bestaat uit allemaal hutjes waartussen palmbomen en andere tropische planten staan. Ons hutje ligt achterin aan het zwembad, amper 3 stappen en dan ‘plons’. Aan de andere kant van onze hut ligt de zee. Je hoort en ruikt hem, want zoals overal, zijn ook hier geen ramen (geen glas). Er staat wel nog een muur tussen ons en de zee met een poort in, die steevast op slot is. Aan de andere kant bevinden zich namelijk arme vissers. Hun boten worden hier aan wal gebracht (door ze met wel 10 man het strand op te dragen) en de vissers kuisen hun vis op het strand. Het ziet er allemaal maar vies uit eigenlijk. Foto’s mogen we trekken in ruil voor een ‘cadeau’ (= een stylo of een ballon), maar daar doe ik niet aan mee, dus het worden stiekeme foto’s. Ze hebben ook een afdakje waaronder ze kunnen rusten. De zee is zoals je de Atlantische oceaan zou voorstelen, alleen misschien iets helderder, maar ook met golven. We maken een wandelingetje door de stad of althans de randgemeente waar het hotel zich bevindt. Overal op straat (eens je van de drukke weg bent) lopen er geiten en varkens rond. Te pas en te onpas zijn er vuilnishopen. Ook hier worden we steeds gegroet met ‘toebab cadeau’, vooral door de kindjes. Ze bedelen zonder schaamte en dat ik voor sinterklaas moet doorgaan, vind ik maar niets. Wat verder komen we op een plek waar er wel 40 tafels staan waarop vis ligt uitgestald. Puur natuur, met kop en al, zoals ze uit de zee komen. Hier worden ze verkocht. De vliegen zwermen er om heen. Ook hier willen ze een cadeau voor de foto’s. Wanneer we de markt verlaten, passeren we langs een hoop vis die niet verkocht geraakt is. Met ingehouden adem en afgewende blik passeer ik. Degoutant. Terwijl al de rest terug naar het hotel gaat, wandel ik nog een beetje verder. Als je zo alleen bent, dan word je nog meer aangesproken. Soms om een winkel e zien, soms om gewoon wat te praten of om op de thee te komen. Dit laatste laat ik aan me passeren, want je weet maar nooit, maar verder zijn ze heel vriendelijk. Wel allemaal jongens. Het is echt een raadsel waar de meisjes zijn. ‘Vakantiewerk’ zegt men altijd. Maar toch niet heel jong vrouwelijk Afrika kan in Dakar verstopt worden. Ze zullen wel binnenshuis aan het werken zijn. En als je hen ziet, babbelen ze amper en ze komen super verlegen open. Ook het meisje dat voor ons kookt, praat maar moeizaam als we proberen een gesprek aan te knopen.
’s Avonds eten we eens uitgebreid in het hotel. Een volledig vismenu. Redelijk lekker, desondanks ik niet van vis houd. Het is wel eens gezellig om allemaal ’s avonds Damen aan een hoge tafel te zitten en elk uit een eigen bord te eten bij voldoende licht. Nog zoiets: je kan hier gewoon de WC doorspoelen. Ik dacht er eerst zelfs niet aan. Dat belooft voor thuis. Om de avond vol luxe af te maken, kunnen we nog even op internet op de laptop van het hotel.
’s Ochtends sta ik op met diarree. Het is vreemd hier. Je wordt om de week wel eens ziek van iets. Maar van wat blijft een raadsel. Gezien we ons eten niet zelf kunnen kiezen, eten we wel wat risicoproducten. Van het ene word je ziek, van het andere niet. En het is steeds moeilijk te achterhalen van wat. De zeevruchten? Dat wit waarvan ik niet wist wat het was? Dat klein stukje komkommer dat ik per ongeluk at? Of van een geschilde appel? Gezien je gewoon te hard verzwakt als je alleen maar stokbrood met ‘la vache kiri’ en ’s avonds rijst met de eventuele weinige groentjes eet. Bananen en gekookte eieren staan ook nog op het lijstje. Maar als ik de vis hier soms zie en ruik, kan het moeilijk anders dan dat het niet goed is, hoe hard gebakken ook. Achja, soms is hij daar dan ineens: de diarree. Hoewel we met 9 hetzelfde eten, worden we toch afwisselend ziek. Maar geen pijn en geen koorts, dus is het niet erg. Immodium, olé!
Na het ontbijt krijgen we uitleg over de NGO en de geschiedenis van de lepralijders in Senegal. Ik had die uitleg al in Leuven gehad, dus niet veel nieuws. Misschien wel dat het probleem gewoon niet volledig bereikt kan worden met dit project. Dat er dingen zijn die men niet kan bewegen of waarover geen inzicht verworven is. Zo maakt hij een piramide van prioriteiten. Aan de basis zet hij de educatie van de mensen. Als ik hem vraag of er wel genoeg werkgelegenheid is als men de Afrikanen gaat scholen zoals bij ons, antwoordt hij dat beroepen zoals leerkracht en verpleegster altijd werk vinden. Maar ik denk dat hij overziet dat er nu gewoon een beperkt percentage van de populatie geschoold is en dat als de percentages oplopen zoals bij ons er zeker niet genoeg plaatsen zijn. Laat staan het aantal beroepen dat men hier totaal niet kan uitoefenen. Dit ziet hij niet in, dat educatie slechts helpt zo lang er plaats is om deze te benutten. En zo zijn er nog wel dingen: zoals dat hoge belastingen ook wel kunnen bijdragen tot ontwikkeling van een land. Dat men maar voorzieningen kan verzorgen als er geld voor is. Dat de taksen hier fout benut worden is natuurlijk een ander probleem.
Na de conferentie gaan we naar een artisanale (=toeristen) markt. In tegenstelling tot deze in Koalack, is het hier super druk. Je wordt de hele tijd aangesproken en je moet handen schudden. Alleen ‘bonjour’ volstaat niet. Vaak moeten ook vragen als ‘comment ca va’ of ‘comment tu t’apelles’ beantwoord worden. Als je ze negeert, word je nageroepen dat je onbeleefd bent. Vermoeiend! Iedereen wil je meenemen om zijn of haar winkel te laten zien en allemaal zullen ze een ‘goede’ prijs geven. Overal zitten ook mensen die werkelijk het handwerk maken. Overal zie je zowat dezelfde echt toeristenstpulletjes, waar je niets mee bent zoals houten beelden, schilderijen en weinig smaakvolle kettinkjes en armbanden. Ik loop wat rond op zoek naar iets voor Stijn. Iets nuttig zou ik willen. Maar dat is niet simpel. Onnuttig en vrouwelijk zijn wel de code woorden. Terwijl sommige verkopers bij wijze van spreken vechten om me in hun winkel te krijgen, kom ik in een leuk winkeltje met een mooi handtasje. Ik krijg het niet meteen open en de maker slaapt. Een andere verkoper komt aansnellen. Ik moet gaan zitten om te onderhandelen over de prijs. Dit moet trouwens steeds binnen gebeuren, alsof de verkopers niet willen prijsgeven aan hun buren wat ze vragen en krijgen. Het handtasje is te duur. Ik onderhandel niet graag, dus zeg gewoon wat ik wil geven. Het is niet genoeg natuurlijk. Dus ga ik maar door. Er wordt mij nog vanalles nageroepen, maar dat negeer ik. Ik loop nog wat rond tot ik een paar straten verder word tegengehouden door dezelfde man. Wil ik echt niet kopen? Hij zal een inspanning doen. Hij was begonnen met 30 euro en vraagt er nu nog maar 11. Ik wil er 8 geven. Zot gewoon dat hij achter me aan komt. Terwijl ik voort wandel en in andere winkels kijk. Ik houd de 8 euro vol. Uiteindelijk zwicht hij. Ik moet binnen betalen, want het is ‘un prix confidentiel’. Als ik zeg dat ik ook nog een broeksriem wil, probeert meteen een andere verkoper me mee te nemen. Maar ik blijf trouw aan de eerste. Krokodil of slang? Ik wil geen van beiden. Dat mannen in België geen slangenleer dragen, begrijpen ze niet. Maar ze verdwijnen toch op zoek naar een met schapenleer. Soms is hun bereidwilligheid om je te helpen wat te groot. Ik houd er niet van als ze te hard hopen dat je iets gaat kopen.
Vervolgens gaan we een spaghetti bolognaise eten. Lekker westers! We beseffen nu pas hoe ondragelijk warm het is tussen 12 en 4. Thuis zitten we altijd beschut onder ons afdak.
Tot slot gaan we nog likeur proeven bij een Belg die hier zijn plaatselijk bedrijfje heeft. Hij woont in Afrika sinds zijn 4 jaar en is er nu 26. De likeur heeft wat typische smaken zoals ‘bisap’ (van de vruchten van de baobab) en cashewvrucht (jawel die boom met de cashewnoot, maar daar zouden ook vruchten aan groeien). De bedoeling is dat we daarna flessen kopen. Hij heeft ook gewoon een bar en blijkbaar komt de inheemse bevolking vooral zondag na de mis drinken. Ze zouden ook maar zelden nuchter buiten komen. Het is wel fijn om eens te praten met iemand die hier al zo lang woont, want ik heb het gevoel dat als ‘toebab’ een echte integratie enorm moeilijk moet zijn. Voor zijn hogere studies heeft hij wel in België gezeten. Daarna is hij terug gekomen en hij zegt hier te willen blijven wonen. Iets wat ik me moeilijk kan inbeelden. Want hoe rijk ook, het comfort van hier is toch altijd minder. Je kan hier misschien wel goedkoop leven en personeel hebben, maar sommige dingen zijn nu eenmaal zo omdat dit Afrika is en je dat niet in de hand hebt. Ik denk maar aan de vuile straten, het niet stipt zijn van de medemens, de beperkte aanwezigheid van sommige levensmiddelen (zoals bv groenten, vlees, chips, …). Het is inderdaad misschien een kwestie van gewoonte, maar als je het leven bij ons gewoon bent, dan is Afrika toch wel heel primitief en gewoon moeilijk om zo een stap in de tijd terug te nemen. Maar blijkbaar zijn er mensen die dit alles willen opgeven voor de andere mentaliteit, klimaat en levensritme.
Terug in het hotel kunnen we internetten, zwemmen, schrijven. ’s Avonds krijgen we een saté met frieten. Klinkt inderdaad heel goed, maar het vlees is niet goed doorbakken. Het is zot hoe moeilijk het hier is om veilig te eten, terwijl dat in China nog zo vlot ging. Het plan was om uit te gaan, maar door de ramadan is dit niet mogelijk. Blijkbaar mag er die maand niet gefeest worden en mogen ze ook geen seks hebben (aldus mijn flirtende groepsgenoten). Zelfs fysiek contact overdag is niet toegelaten. Om aan onze wens tegemoet te komen zet het hotel een leuk muziekje op en we maken met een paar een avondzwempje in het zwembad. Persoonlijk vind ik dat niet zo erg, zo hoef ik niet tussen de gapende, aandachtzoekende Senegalezen te staan. Hoewel het natuurlijk een ‘once in a life time’ ding is, zo een Senegalese discotheek. Er is trouwens verdacht weinig volk in het hotel om zaterdag avond te zijn.
Zondag ochtend kom ik op straat een katholieke stoet tegen. Voorop loopt een man met een fluitje die gebaart dat iedereen aan de kant moet gaan. Erachter rijdt een auto met open deur en lopen een 500-tal mensen. Deels mannen in een wit kleed. Er wordt een kruis en een Mariabeeld (15/08/2010 vandaag = Maria hemelvaart). Ze zingen liederen. Er zijn vrouwen, mannen en kinderen. Het is indrukwekkend. Vrijdag avond was er ook al een feest van de Christenen naast ons hotel. Blijkbaar duurde het tot 3 uur ’s nachts: zingen, djembe, muziek. Het is trouwens fijn om te zien hoe goed moslims en christenen naast elkaar leven. Elk dorp heeft een kerk en een moskee, een begraafplaats voor christenen en een voor moslims. Het is trouwens gemakkelijk om te weten wie uit een christelijke familie komt: ze hebben meer westerse namen. Verder leven ze naast elkaar en gaan ze zelfs naar elkaars feesten. Ik moet wel zeggen dat de Islam hier op sommige vlakken minder streng is. Zo zijn de vrouwen hier niet gesluierd en vaak ook mouwloos. Dégène vertelde me ook dat ze perfect mogen zwemmen in zee in het bijzijn van anderen. De christengemeenschap is veel kleiner en blijkbaar treed er zelfs in Afrika een vergrijzing van de kerk op. Ik heb trouwens nog niet verteld hoe de misviering in Sowane er aan toe ging. Aleerst wist niemand ons precies te vertellen wanneer de mis zou beginnen. “Als de klokken luiden” was het meest concrete antwoord. Onze angst om te laat te komen is volledig onterecht. We komen binnen en zien geen priester staan. Waar is die nu? We wachten nog een beetje terwijl iedereen binnen sijpelt. Dan begint ineens een man op de bank vooraan links luidop te bidden. De rest doet met hem mee. Na het ene komt het andere gebed. Een misviering is hier een aaneenschakeling van gebeden. Terwijl de gebeden bezig zijn komen er nog steeds mensen binnen. Plots is het bidden gedaan en iedereen staat op en gaat terug naar buiten. Er wordt nog een goede avond gewenst en iedereen gaat weer naar huis. Heel vreemd, maar ergens ook goed. Geen gepreek, geen hiërarchie, geen dwang.
Later in de voormiddag rijden we naar de volgende toeristenmarkt en komen in een ander soort Afrika. Op straat lopen tal van blanken, er zijn hotels en verschillende toebab café’s. De toeristen en de rijke mensen buurt dus. De meesten van mijn groep vinden het degoutant. Naar mijn idee is het gewoon de realiteit. Er zullen altijd rijkeren zijn of mensen die willen profiteren van de armoede van een land. Anderzijds brengt het ook wel tewerkstelling en een beeld van beter met zich mee. Want zonder twijfelen: het zou hier stukken beter kunnen zijn. Het is niet perse Afrika dat arm is, maar misschien wel de manier van leven van de mensen. Hoewel ik moet toegeven dat de armere mensen bij ons, er niet zo’n andere attitude op na houden. Op de markt is het weer onderhandelen alom. Gelukkig gaf de eerste persoon een redelijke prijs voor Stijn zijn cadeau. Zo kon ik met deze prijs bij de rest aankloppen. De vraag hoeveel stuks ik wil, blijft terug komen. Duidelijk te veel Amerikanen gezien.
Na de markt bezoeken we nog een huis dat volledig uit grondstoffen van Senegal is gebouwd. Ook een project van Masse. Hij wilt zo de economie verbeteren door minder te importeren. Een Belg heeft hem geld gegeven om voor hem een huis neer te zetten. De constructie van dit huis (5 kamers + verdieping) kost 16.000 euro. Mooi weer, vlak aan zee, een groot stuk grond… Spot goedkoop dus.
We sluiten het weekend af op het strand van een hotel: overdekt terras, zwembad, strand en zee omringd met stenen. Zoals in de boekjes. We moeten er wel iets eten. Pizza? Dan moeten we zeker een uur wachten. Het wordt anderhalf uur. Ondertussen zwemmen we in zee. Eerst tussen de stenen, maar daar zijn er amper golven, dus gaan we ernaast. We worden staande gehouden door een dame: vorige week waren er ook 3 jongeren gaan zwemmen en toen was er een verdronken… Griezelig en de onderstroom was er inderdaad sterk. Maar het kan de pret niet bederven. Eerst luieren in de zon… zalig gewoon.
’s Avonds gaan we nog naar het feest in Francois zijn dorp, zogenaamd voor zijn verjaardag. Maar eigenlijk vooral voor Maria hemelvaart. Ze hebben 2 boxen gehuurd en een muziekinstallatie. Ook een generator, want er is weer een mega stroompanne. De boxen hebben ze op een kar gezet en hier hebben ze een kring van banken en stoelen gemaakt. Als we aankomen moet iedereen van de stoelen vertrekken zodat wij kunnen gaan zitten… (Ik heb het er nog steeds moeilijk mee) Er zijn eigenlijk enkel kinderen en mannen aanwezig. Blijkbaar zijn de vrouwen wederom in het huishouden aan het werk. Eigenlijk zit iedereen maar gewoon te zitten en gebeurt er niet veel. De toebabs zetten het feest op gang. Ze lachen met ons en tonen hoe we moeten dansen. Alleen een beetje lastig dat we geen drank meegenomen hebben. Afrikanen hebben zelf geen flessenwater nodig en het is nogal duur. Francois is nogal dronken en het is niet duidelijk of we nu bij hem of in ons dorp moeten eten. Hij zal eten voorzien zegt hij, maar het duurt ontzettend lang. Ik heb Masse horen bellen met hem met een lijstje van dingen waar hij op moet letten. Hier herinnert hij zich natuurlijk niets van. Het begint te regenen en het feest stopt plots. We mogen in een hut binnen gaan. Nu valt het pas op hoe dronken alle zwarten zijn. Tegen half 10 komt het eten. 3 gebraden kippen met salade: voor hier een superchique maaltijd. Maar de groenten mogen wij niet eten. De kip is nog een geval apart: je moet er gewoon een stuk aftrekken. Ook wat vrienden van Francois eten mee: ze eten met hun rechter hand, want met hun linker hand kuisen ze hun poep af… Bweik! Ik neem snel een stuk brood en houd het daar bij. De weg terug naar huis is ook nog een avontuur op zich. Het dorp ligt op 3 km van het onze, verbonden door een zandweg. Overdag was het een heel mooie weg tussen de vlaktes met baobabs. Nu is het wat anders, want het is pikdonker en de mannen die ons vergezellen kennen er amper de weg. Bovenal zitten er slangen! Gelukkig komen we deze laatste niet tegen en komen we veilig thuis na een toch wel heel sfeervolle avond.
Brieven uit Senegal – Deel 5 (14/08/10)
Uit: Brieven aan Stijn - Deel 5
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten